Stephen King heeft meer dan 60 boektitels op zijn naam staan, een indrukwekkend aantal, zeker als je weet diverse titels meer dan 500 bladzijden tellen. Het grootste gedeelte van zijn werk is verfilmd, maar veel verfilmingen halen niet het niveau van de boeken, mede doordat het vaak bescheiden producties zijn. Persoonlijk heb ik goede herinneringen aan The Shawshank Redemption, naar het gelijknamige gevangenisverhaal, en Stand by Me, naar het verhaal The Body, over een beklemmende jeugdervaring. De naam King wordt echter vooral vereenzelvigd met horrorverhalen. Tot de bekendste verfilmingen van Kings horrorwerkjes behoren Carrie (door Brian de Palma) en The Shining (door Stanley Kubrick), beide tamelijk dure producties met respectabele acteurs.
Cujo valt onder de meer bescheiden verfilmingen. Zowel de regisseur als de acteurs zijn nobele onbekenden voor de gemiddelde filmliefhebber. Wellicht is bijrolacteur Ed Lauter (die de garagist speelt) nog wel het meest vertrouwde gezicht. Er zijn ook maar een handjevol locaties, met name het huis van de familie Trenton (en dan vooral de slaapkamer van zoontje Tad), en de garage van Joe Camber, de eigenaar van Cujo, een joekel van een St. Bernardshond. In de openingscène zien we Cujo jagen op een konijn; als hij zijn kop door een opening naar een ondergrondse ruimte steekt, wordt hij gebeten door een hondsdolle vleermuis. Al snel begint Cujo zelf tekenen van hondsdolheid te vertonen, maar die worden niet opgemerkt door Joe Camber en zijn alcoholistische buurman, die hun dagen doorbrengen met veel bier en vulgaire grappen.
Het zoontje van de Trentons is een echte bangerik: hij vooral bang voor een monster dat zou wonen in de kast van zijn slaapkamer. Vader en moeder doen alles om hem gerust te stellen, maar hebben zo hun eigen problemen: moeder gaat vreemd en als vader dat ontdekt, gaat hij voorlopig het huis uit om tot bezinning te komen. Inmiddels heeft Cujo zijn baas en diens buurman om zeep geholpen, dus als moeder en zoontje naar de garage gaan om de voortdurend stilvallende auto te laten repareren, zijn ze echt op zichzelf aangewezen. De auto valt natuurlijk stil op het erf van de garagist, en op het moment dat moeder de deur wil openen, word de auto aangevallen door een dolle Cujo …
In het boek van King werd gesuggereerd dat de kast in de slaapkamer van het jongetje wordt bewoond door de geest van een seriemoordenaar, in de film is het ventje alleen bang in het donker. Ook werd gesuggereerd dat die geest bezit neemt van de hond, wat diens gedrag beter verklaart, want Cujo lijkt vaak te slim en berekend om aan hondsdolheid te lijden. Ook het einde is anders (en fascinerender) in de roman, maar daarover doe ik geen onthullingen. In de film gebeurt eigenlijk niet zo veel voordat de hond, na drie kwartier, de aanval inzet, waardoor de opbouw erg traag verloopt. Dat is zeker een bezwaar, maar de belegering van de auto, die net als in het boek meerdere dagen in beslag neemt, is beklemmend in beeld gebracht, met een grootse rol voor de hond. Alles is gedaan om hem via modder, verf en kippenbloed een vals uiterlijk te geven, en het effect is vreeswekkend. Natuurlijk is het ook een voordeel dat honden goed te trainen zijn: films met agressieve roofdieren vallen vaak door de mand doordat de dieren zich lamlendig gedragen. Maar Cujo springt blaffend tegen de ruiten, loopt grommend over het dak, en ramt de deuren op een gegeven moment zelfs frontaal met zijn bebloede kop. Je voelt bijna de rauwe doodsangst van de moeder en het kind, die opgesloten zitten in een benauwde auto, zonder water, zonder veel frisse lucht, terwijl er een bloeddorstig monster op de loer ligt. Het tweede gedeelte van de film is met andere woorden vreselijk spannend en daarom reken ik Cujo toch tot de betere verfilmingen van het werk van Stephen King.